Woensdag 28 oktober was het zover, na bijna twee maanden Kigoma besloten we het Afrikaanse continent wat beter te leren kennen . Met maar liefst 4 uur vertraging (het zou niet de laatste keer zijn!) vertrokken we met de MV Liemba om het langste (en op één na diepste) meer van de wereld af te varen. Het oude ronkende stoomschip zou er maar liefst drie dagen over doen om de Zambiaanse grens te bereiken. Niet enkel het gezapige tempo en de enorme afstand zorgden voor de lange tijdspanne, het schip hield halte aan nagenoeg elk klein dorpje dat gevestigd was aan Lake Tanganyika. De MV Liemba is dan ook de belangrijkste bron van bevoorrading voor de vele desolate dorpjes die (zonder electrictieit) aan de kustlijn gevestigd zijn. Elke halte was een enorm spectakel. De lokale handelaars voerden uit met hun kramikkige houten scheepjes om goederen op en af te laden. Fietsen, kippen, Coca Cola, Obama kauwgom (in afrika is hij enorm populair), bananen, eieren, matrassen, … kortom alles wat je kan bedenken werd geladen op de houten scheepjes. Het hoofddek van de MV Liemba was dan ook één grote stapelplaats van goederen waartussen de mensen van derde klas verbleven. We waren blij dat we een kajuit hadden in eerste klas. Toen Ulrike een pakje sigaretten wilde gaan halen was ze verplicht om naar derde klas af te dalen. De hitte (derde klas is gevestigd aan de motoren) was daar ondraaglijk. De mensen waren er met hun zweterige lichamen, als sardientjes op elkaar geplakt zodat de hygiënische omstandigheden allerminst opperbest waren.
We waren niet de enigste wazungu (lees: blanken) die op het dek van de Liemba verbleven. Onder andere Yannick, onze trouwe Nederlandse metgezel en Vincent, een dokter uit Parijs zorgden voor aangenaam gezelschap. Yannick zou ons vergezellen tot en met Dar Es Salaam, Vincent tot aan de Victoria Falls in Zambia.
Onze driedaagse tocht was prachtig. Op het dek konden we eindeloos turen naar de groene heuvels die de kusttrook van Lake Tanganyika omkaderden. Vermoeid (het was altijd heel rumoerig op het schip) maar voldaan bereikten we het kleine grensstadje Mpulungu te Zambia. Het was hier dat we voor het eerst geconfronteerd werden met de “Afrikaanse” corruptie. Yannick had twaalf pillen bij om zijn allergie te onderukken maar had geen voorschrift . De douane zag er een ernstig probleem in. “You are a drugs dealer” werd Yannick prompt verweten. Onmiddelijk werd de locale politie opgeroepen en er werd gedreigd om Yannick in de gevangenis te steken totdat bewezen kon worden dat de pillen op voorschrift verkregen werden. Na een half uurtje machtsvertoon en dreigen was er plots geen probleem meer. “You can go” zei de douanier.
Met klamme handen en vochtige oksels van de spanning begaven we ons naar het lokale busstation om de bus naar Lusaka (de Zambiaanse hoofdstad) te nemen. Weer pech, de bus was net vertrokken. We waren gedwongen in dit kleine gehucht te overnachten. Nog steeds niet helemaal bekomen van de spanning zijn we dan maar naar de lokale kroeg gegaan om een paar “Safari’s” en “Kilimanjaro’s” achterover te heisen.
Na een slechte nacht in een zeer primitief pensionnetje (we konden zelfs enkele sterren zien in onze kamer omdat er gaten in het plafond zaten) vertrokken we met zijn vieren richting Lusaka. De bustocht zou 14 uur duren, althans in theorie. Doordat de chauffeur in nagenoeg elk dorpje even stopte om de lokale bevolking te begroeten deden we er 22 uur over. Om 9 uur in de morgen waren we vertrokken, om 7 uur de volgende dag kwamen we aan in de hoofdstad. We besloten om niet in Lusaka te blijven en onmiddelijk de bus te nemen naar Livingston (waar de watervallen gevestigd zijn).
Om 13 uur ‘s middags (weeral drie uur vertraging!) namen we de 7 uur durende busrit naar Livingston. Uitgeput en met volle blaas kwamen we aan in Livingston en konden we eindelijk nog eens een volwaardige maaltijd nuttigen.
In Livingston zouden we vier dagen verblijven. Ter plaatse hebben we een cruise gedaan op de Zambezi rivier en konden we enkele nijlpaarden, krokodillen en zelfs een olifant spotten. Natuurlijk hebben we ook de Victoria Falls bezocht, één van de zeven wereldwonderen, de grootste watervallen (qua volume) ter wereld. De hoge verwachtingen die we hadden werden aanvankelijk niet ingelost. Het was droogseizoen en er was nagenoeg geen water… Enkel een zielig pisstraaltje was te bezichtigen op Zambiaanse bodem. Om de watervallen in volle glorie te zien moet je in het regenseizoen komen of de grens oversteken naar Zimbabwe waar je ook in het droogseizoen de pracht en praal van het watergekletter kan aanschouwen (Om dit te doen moest je echter per persoon 100 dollar extra betalen voor de visa).
Er was gelukkig één groot pluspunt. Door het droogseizoen kon je te voet naar een eilandje vlakbij de watervallen en kon je zelfs zwemmen tot aan de rand van de waterval (de zogenaamde devils pool). Het was een ongelooflijke ervaring. Een muurtje van nog geen halve meter zorgde ervoor dat je geen 150 meter diep in het ravijn stortte. Het uitzicht was dan ook fabuleus.
Na een paar dagen namen we afscheid van Vincent en trokken we met zijn drieën verder naar het zuiden van Tanzania. Deze keer namen we de trein als vervoermiddel. Na een twee-daagse trip kwamen we aan in Mbeya, de eerste grote stad als je de Zambiaanse grens overschrijdt. Mbeya ligt op een hoogte van 1300 meter en is omgeven door hoge bergen. Het was heel aangenaam om eens in wat koelere oorden te vertoeven. Hier zouden we enkele dagen verblijven en onder andere ons aan een hike wagen dwars doorheen het tropische regenwoud. Na een fikse klim van ongeveer twee uur door het vochtige dichtbegroeide woud, waar we onder andere black and white colobus monkeys konden bezichtigen, hadden we een prachtig panoramisch zicht op het Ngozi lake. Volgens de lokale legende zou in dit meer, dat afhankelijk van de lichtinval van kleur verandert, een groot monster ronddolen. Gelukkig eet het monster enkel de zwarten op en heeft het bang van wazungu (blanken). We konden dus, in tegenstelling tot onze gids, veilig zwemmen in het meer al hebben we dit uiteindelijk toch maar niet gedaan.
Na enkele dagen zetten we onze tocht verder naar Iringa, ook een stadje dat zich in het hooggebergte van het zuiden bevindt. Iringa was het culinaire hoogtepunt van onze trip door zuid Tanzania. Er was zelfs een echt pannenkoekenhuis! En de chocoladecake was zalig! Iringa ligt een uurtje rijden van een mooi safaripark “Ruaha” genaamd. We besloten dus om eens op safari te gaan. Het was prachtig om het ongerepte Afrika eens in het echt te zien. Leeuwen, olifanten (Ulrike haar lievelingsdier), giraffen, gazelles, hippo’s, krokodillen … op nog geen 10 meter afstand bewonderen was echt een uitzonderlijke ervaring.
Van het koele, groene zuiden trokken we verder noordwaarts (dwars door enkele safariparken) richting het zwoele, zweterige en verstikkende Dar Es Salaam. We verbleven in de Arabisch-Indische wijk, het kloppende hart van de stad. Het voelde een beetje aan zoals in Caïro. Om vijf uur gewekt worden door de oproep tot het gebed, de drukte, de verstikkende uitlaatgassen, de lege vuilnisbakken maar vuilnis er omheen… het gevoel van een Afrikaanse grootstad. In Dar namen we afscheid van Yannick en waren we weer met ons tweetjes. We wilden een treinticket naar Kigoma boeken maar alles was volzet tot januari (ook in Tanzania zijn er problemen met de spoorwegen!), de bus naar Kigoma was onmogelijk door het beginnende regenseizoen en de slecht onderhouden wegen rond Kigoma. Laatste optie was het vliegtuig, maar omdat een van de vliegtuigoperatoren zijn vluchten naar Kigoma geannuleerd had, was het moeilijk om snel nog een ticketje te bemachtigen. Kortom we waren gedwongen om nog een extra week in Dar te verblijven. We zouden dan de bus naar Tabora nemen (de wegen zijn tot daar nog “redelijk” goed onderhouden) en vanuit Tabora een vlucht van één uur naar Kigoma nemen.
We besloten om dan maar wat uit te rusten aan de beach resorts ten zuiden van Dar en wat te snorkelen in de koraalriffen (Ulrike heeft haar angst overwonnen en lustig meegesnorkeld!) en een massage mee te pikken.
De bustrip naar Tabora was uitermate vermoeiend (14 uur op hobbelige wegen). Tabora zou men kunnen omschrijven als het “Holland van Tanzania”. Overal zie je fietsen om je heen en auto’s zijn minder in gebruik. Fiets taxi’s worden frequent genomen. In Tabora hebben we nog een dovenschool en een oude bekende bezocht (we hadden de broeder reeds in Dar ontmoet). De visite bij de broeder en zijn familie was bijzonder hartelijk. Eten en drinken werd ons aangeboden, we werden zelfs als familie aanschouwd…
De vlucht naar Kigoma verliep vlekkeloos en de ontvangst hier was hartelijk.
Op volgende site kan je onze foto’s terugvinden.
http://picasaweb.google.nl/Vincent.Ulrike/Reis?feat=directlink
